U bent hier

Het verhaal van Jade

Ik ben een vrouw van 34. Nog steeds geen mama. Ik wil éérst een goede moeder zíjn, dan pas mijn kindjes baren. Het valt niet mee. Sedert 2007 sta ik op invaliditeit omwille van psychische moeilijkheden; de onmogelijkheid om 'normaal' te functioneren in, onder andere, het bedrijfsleven; toen zelfs de  prangende doodswens die ik ervoer. Er zijn zoveel kloven tussen mijzelf en anderen, zoveel problemen, dat het moeilijkheden veroorzaakt inzake simpelweg bestaan. Zoals gevraagd, brainstorm ik wat punten – zonder prioritering of chronologie – die, volgens mij, rechtstreeks verband houden met hoogbegaafd zijn: 

 

Op volwassen leeftijd:

 

  • Er is een enorm verschil tussen de zelfzekerheid en communicatieve- en andere vaardigheden die anderen mij toeschrijven, en de onzekerheid en onmacht die ik binnenin mezelf ervaar. Mensen zijn geneigd om zich geïntimideerd te voelen, en niet zelden heeft men dan de neiging degene die de bedreiging lijkt te vormen 'klein' te maken, en te houden. Men krijgt mij met vlot gemak 'klein' – ik ben het vanzelf al – en toch voelt men zich opvallend snel geïntimideerd door me, hoewel ik me slechts zéér zelden bewust aan intimidatie vergrijp.
  • Een gesprek met m'n huidige psychiater, een paar jaar geleden:

Psych (bezorgd): Jade, ik denk dat we beter medicatie opstarten.

Ik: Waarom?

Psych: Je bent duidelijk manisch en verward, je raaskalt onsamenhangend,...

Ik (razend kwaad en ten einde raad): Begin jij ook al? Ik heb er genoeg van! Wees op z'n minst éérlijk, en zeg: 'IK ben verward; je spreekt zo snel, en met zoveel associaties, dat IK geen samenhang vind.' Het is niet omdat ánderen mij niet begrijpen dat ík nonsens uitkraam! Ik moet anders wel altijd maar alles van hén begrijpen!

Tot mijn grote verbazing haalde ze geen spuit Haldol tevoorschijn. Ze slikte een beledigde zweem weg en leunde achterover (laconiek en uitdagend):

Ok, Jade, ok. Herhaal dan even. Probéér het zo eenvoudig mogelijk, zodat mijn 'simpele geest' het ook kan begrijpen...

Ik deed exact dat, zo rustig en geconcentreerd mogelijk.

En m'n psychiater antwoordde, ietwat verbaasd:

Meiske... je bent inderdaad niét verward. Je weet blijkbaar heel goed wat je wilt vertellen. Maar als het zó moeilijk is om je te verduidelijken in de wereld rondom... Dat moet toch ondraaglijk zijn?

Ik snikte: Nagel op de kop, dokter.

Soms bén ik echt verward, maar ik leer met ouder worden andermans woord daarover niet zomaar te geloven.

  • Naast verwardheid wordt me geregeld ook koppige betweterigheid verweten. Vrágen naar argumenten an sich, is vaak al bewijs voor een ander dat ik 'koppig en betweterig' ben. Maar hoe kan ik nou m'n mening veranderen zonder onderbouwde argumenten?
  • Ik speel gitaar en piano, ik zing, ik schrijf, maak eigen liedjes. Mensen klampen me soms vol bewondering aan, en zeggen dat ik mee moet doen met 'Idool.' Ze begrijpen niet: dat ik de technische ambacht ontbeer – door onzekerheid heb ik in m'n kindertijd nooit durven muziek studeren; dat hun bewondering niet natuurlijk voor me aanvoelt – ik doe gewoon wat ik doe; dat op een podium staan, waar ik mensen moet bevredigen in hun verwachtingen, waar ik geen fouten mag maken, té moeilijk is – het boezemt me doodsangst in.
  • Alles wat ik doe, doe ik het liefst zelf, zo autonoom mogelijk. Vaak omdat er dan geen ruzie kan ontstaan. Soms omdat ik geloof dat het dan beter is gedaan. Meestal omdat ik dan, met vallen en opstaan, veel meer bijleer dan wanneer een ander het voor m'n neus doet. En dan nog ben ik boos dat het niet vlot, of ik begin er niet eens aan. Te bang. Ik ben te perfectionistisch, en erg veeleisend voor mezelf.
  • Als iets me interesseert, lees ik er ook meteen alles over dat ik te pakken krijg. Op mijn achtste stierf mijn eerste hond. Ik begon alle levensbeschouwingen te onderzoeken, op zoek naar wat 'dood' precies inhield. Astrologische beschouwingen leken frappant. Interessant. Ik begon ze statistisch te onderzoeken. Ik vroeg, en vraag nog steeds, van iedereen die ik ken de geboortegegevens. Pluis vervolgens uit in hoeverre er exclusieve bijzonderheden te vinden zijn, die opvallend voor die persoon – en alleen die persoon - gelden, zoals ik de mens in realiteit waarneem. Ik vond geen voldoende onderbouwing om te besluiten dat er overtuigde waarheid in betreffende pseudo-wetenschap zat, maar jammer genoeg vond ik ook geen absolute ontkrachtiging. Het bleef aan me knagen. Onder elk té toevallig toeval moest een natuurkundig fundament te vinden zijn. Hoe werkte dat toch? Ik studeerde op den duur alle boeken van Brian Greene, en wat kosmologie aan online Oxford university. In de hoop astrologie te kunnen besluiten tot zin, of onzin. En hoe precies, en waarom dan wel? Heel interessant allemaal. Maar ook via die piste vond ik de invloed van sterren en planeten op onze karakters bewezen noch weerlegd. Ik heb er een jaar of wat geleden de rem op gezet. Woorden als 'entropie' lagen te vaak op m'n tong. Behalve met een paar zeldzame vrienden, die op hoog universitair niveau hebben gestudeerd, kon ik met niemand nog spreken. En zelfs voor hen, gingen mijn filosofische associaties, inzake god en verweven menselijke interactie, veel te ver. Ik werd door 98% van de mensen om me heen gek verklaard erom.
  • Mijn gepassioneerde aard inzake één of ander stokpaardje van dat moment – het kan echt van alles zijn – wordt pijnlijk vaak voor overtuigingsdrang aanzien. Ik begrijp dat niet. Indien anderen spreken over, bijvoorbeeld, het ongelofelijk fijn zittende stofje van hun geweldig goed ontworpen jurk, of het ongeëvenaarde zoenen met hun nieuwe lief,... Ben ikzelf niét geneigd om te interpreteren dat zij eisen dat ikzelf die jurk ook aankoop, of hun nieuwe lief ook eens zoen,...  
  • Als ik een mail schrijf, krijg ik vaak geen antwoord. Het gebeurde dat ik me onwaardig voelde, terwijl mijn correspondent nadien vertelde: 'ik wist niet wat ik kon antwoorden, en ik schaamde me om taalfouten in vergelijking met jou.
    Het gebeurde dat iemand antwoordde: 'Heb eens wat respect! Alsof ik tijd heb om dat allemaal te lezen! Herleid tot de essentie, aub!' Het had me slechts een uurtje gekost om de oorspronkelijke tekst te typen, maar – vooruit dan, respect! – ik werkte vervolgens vijf uur lang, en moeizaam, aan schrappen en synthetiseren. Opdat de ander geen vijftien, maar vijf, minuten leeswerk zou hebben. En ik vraag me af: Is dat nou werkelijk 'respect'?
  • 'Hoogbegaafd' zijn, voor mij althans, betekent: heel veel ram-geheugen hebben, en – in verhouding – belachelijk weinig opslagcapaciteit. Ik ben een plantrekker die heel snel inschat, creatief reageert, en inventief anticipeert met de mogelijkheden voorhanden.  Maar het lijkt alsof mijn opslaggeheugen daaraan moet inboeten. Mijn geest slaat alleen dié dingen op, die op dat moment relevant zijn voor het doel dat me beweegt. Tot het idiootste toe: als ik een nummertje trek in een wachtrij, kijk ik bij elke beep opnieuw naar mijn papiertje. Ik onthoud onmogelijk het cijfertje erop: mijn geest elimineert vanzelf overbodige informatie ter wille van verrijking, ik ben met zoveel dingen bezig - het staat op dat papiertje, toch?
  • Ik studeerde amper tot niets, en heb het laatste jaar niet doorgezet, maar ben blij dat ik uiteindelijk toch een paar jaar aan de academie ingeschreven stond. Want hoe pover ook mijn mogelijkheden in vergelijking met goed geoefende,  technisch onderlegde muzikanten... Het helpt in sociale contacten dat men kan zeggen: 'Ja, maar zij heeft academie gedaan he'. Bevriende muzikanten, die technisch echt heel onderlegd zijn, bewonderen me vaak omwille van mijn creativiteit. Zij kunnen ingewikkelde partituren prima vista lezen, maar geen eigen liedjes maken. Ik kan me geen vijf maten lang op een partituur concentreren of ik ben al 'm'n eigen ding' aan het doen.
  • Mijn vriend, afgestudeerd germanist, legde eens iets uit over heffingen en dichtvormen. Ik zag het licht! Ik herwerkte meteen een paar werken van me. In tien minuten, had ik begrepen waar hij en z'n medestudenten een jaar om geoefend en geworsteld hadden. In plaats van trots te zijn, blij dat duiding hem zo weinig energie kostte, werd hij razend.
  • In een vacature vond ik 'universitair diploma van willekeurige richting gezocht'. Men wilde zeker zijn dat de kandidaat hun interne opleiding aankon. Ik nam contact op. Ook zonder diploma mocht ik deelnemen voor een selectieproef. Ik, die misschien minder 'kloof' zou ervaren tussen universitairen, deed mijn uiterste best, en slaagde in de test. Enkele weken later ontstonden de eerste conflicten met collega's. Het was niet fair: zij hadden zeven jaar gestudeerd om dezelfde functie te bekleden. Ik begreep hun misnoegdheid, maar ik werd naar eigen diploma betaald. Was dat niet voldoende zijn om hen te sussen? Nee. Bovendien keken ze neer op mensen die we moesten leidinggeven, en ik walgde ervan. Een jong meisje dat, na een fulltime job, extra uren kwam draaien om haar kindje alle kansen te kunnen geven, werd als volgt omschreven: 'Phuh, erg he, ze is zelfs te dom om de pil te gebruiken.' Dat meisje was mooi genoeg om vlot geld te verdienen via prostitutie. Ik vond het ongelofelijk moedig dat ze niet dát pad verkoos.
  • Op élke job overigens: had ik óf problemen met de baas, en niet met de collega's; óf problemen met de collega's, en niet met de baas. 

 

Tijdens de kindertijd:

 

  • Als kind voelde ik me vaak dom. Ik had de neiging alle details door elkaar te weven tot één grote warboel. Tenzij ik het geheel al zag dat deze details uiteindelijk zouden gaan opbouwen. De vraag: 'Waarom?' werd in die context zelden goed onthaald door de juf. Een eventueel antwoord zou het gros van de andere kinderen kunnen verwarren.
  • Veel fantasie verweven met te snelle inzichten, leverde vaak lachwekkende  antwoorden op. En ik werd er ook om uitgelachen.  
  • Wat breinspelletjes betrof – en die vond ik het leukst – was het héél erg moeilijk om een spelpartner te vinden die van me kon winnen... De meesten wilden, na een paar keer spelen, nooit meer met me spelen. Ik voelde me daardoor onwaardig, ongeliefd en ongewild. En ik leerde de anderen te laten winnen. Zij blij: ze wonnen. Ik blij: er speelde iemand met mij.
  • Ik deed heel vaak alsof ik iets niet begreep. Anderen leken het heerlijk te vinden om iets uit te leggen. Dat vond ik zó vreemd! Zelf werd ik immers heel erg verdrietig en kwaad als ik, weer maar eens, niet begrepen werd.
  • Op school faalde ik voor kennistesten. 'Wanneer was...?' 'Wat is het symbool voor...?' Geen idee! Geschiedenis, fysica,... Rampen. Tot bij een open-boek examen verbanden tussen data en gebeurtenissen moesten ontleed, en formules dienden begrepen en toegepast. Dan scoorde ik het hoogste van de klas. Mijn geheugen was een zeef, en toch bleek ik telkens de uitblinker die alles het grondigst begrepen had.
  • Als kind was het echt ondraaglijk. Met alles begon ik 'eigen dingen' te doen, en het werd vaak aanzien als moedwillige obstructie van gezag. Ik kon daar écht niets aan doen. Hoe erg ik ook probeerde, ik kon me onmogelijk concentreren zonder vanzelf te creëren.
  • Ik herinner me dat er op de basisschool een heel gedoe ontstond omdat ik met een glaasje de zon op een blad bundelde. Met strenge klem kreeg ik te horen dat ik dat niet mocht doen. Maar waarom begon dat toch te smeulen? Niemand gaf antwoord. Ik bleef (stiekem, dan maar) 'brandje stoken'. Tot papa uitgelegd had hoé dat rookte. Meteen was weer wat anders interessanter. 
  • Een andere keer vroeg ik me af waarom een 'oorworm' 'oorworm' werd genoemd. Dat stond niet in de Grizmek. Papa zei lachend: 'Steek er één in je oor, misschien kom je het dan te weten.' Ik heb het gedaan...
  • Toen er dagenlang vreemde geluiden uit de paal van de wasdraad klonken, heb ik uiteindelijk met al m'n kracht een ladder uit de garage gesleurd, en m'n arm erin gestoken. Een moedervogel schrok zo erg dat ze nooit meer is teruggekomen. Een week lang heb ik zó m'n best gedaan de jongen te voeren... maar een nest vol pimpelmeesjes is één voor één doodgegaan in m'n kinderhanden. Ontroostbaar, echt ziék, was ik daarvan. 
  • Het verschil met andere kinderen was vooral die onbevredigbare nieuwsgierigheid en gevoeligheid. Toen ik een meteoor zag, wenste ik: 'ik wil alles weten wat ik wil weten op het moment dat ik het wil weten!' Die was ik beginnen overdenken zodra ik te horen had gekregen dat ik iets mocht wensen als ik een vallende ster zag. En ik zat prompt op uitkijk 's nachts.  
  •  Ik denk dat ik als kind te weinig speelde. Zo achteraf bekeken, betrof misschien wel elk spel een vorm van 'onderzoek.' Behalve het louter fantastische. Ik kon uren zitten, liggen, lopen, of staan. Te fantaseren. Zodra er materie, andere kinderen, volwassenen,... waren, was het meer 'onderzoek' dan spel.
  • En gevoelig zijn... Ik kon maanden, jaren zelfs, echt niet goed zijn van dingen die andere kinderen na een paar dagen of weken leken te vergeten. Bij toeval ontmoette ik een buurjongen, die ik in geen twintig jaar gesproken had. Toen we vijf jaar oud waren, speelden we vaak samen. Ik heb hem toen per ongeluk ernstig verwond. Nadat hij verzorgd was, heb ik hem nooit nog in de ogen durven kijken. Toen we 26 waren, verontschuldigde ik me voor het voorval. Hij had geen flauw idee waarover ik het had, en vroeg zich af waarom ik er zo zwaar aan tilde. Mij woog het al die tijd als een blok op mijn schouders. Telkens ik die hele stille asociale jongen in de verte zag opgroeien, dacht ik dat hij zo teruggetrokken was, omdat ik hem als kind getraumatiseerd had. Dat hij mij nooit had vergeven. Hij zei dat hij zich weleens had afgevraagd waarom ik niet meer met hem wilde spelen, en lachte erom. 
  • Het was echt een hel, mijn kindertijd. Ongetwijfeld heeft mijn erg zieke moeder daar een groot aandeel in, maar... Ik kan me niet voorstellen dat 'hoogbegaafd' zijn voor een ander kind het leven makkelijker maakt. Een kind wil 'erbij horen' – iederéén wil 'erbij horen,' –  en er is een, als kind volstrekt onbegrijpelijke, afwijking. Elk kind voelt zo'n afwijking als 'mijn schuld.' Uiteraard zal het wel helpen als een hoogbegaafd kind gesteund wordt door ouders, en via hen geen extra druk ondervindt. Maar het lijkt me, zelfs dan, moeilijk om evenwichtig op te groeien.

 

 

Stel je voor

 

Gesteld dat: 

a) Het gemiddelde inzicht vermogen van mensen in onze maatschappij = 100

b) Iemand met een ernstig zwakbegaafde vorm van syndroom van Down een relatief inzicht vermogen heeft = 50  

c) Het relatief inzicht vermogen van een hoogbegaafde = 150

Hoe zou een 'normaal begaafde' zich voelen mocht ie:

Dag in dag uit leven en werken tussen een meerderheid aan mensen met Downsyndroom; hun blind moeten vertrouwen in allerlei belangrijke functies; hun gezag en orders moeten aanvaarden; alsook hun inrichting van de hele wereld; hen liefhebben maar met de beste wil van de wereld er niet in slagen aangenaam in relatie tot hen te staan?

 

Het gemiddelde antwoord op die vraag, luidt het vaakst, met zéér boze ondertoon:

 

'Wil je daarmee zeggen dat ik een mongool ben?'

 

En dat. Dát doet pijn.